|
Lichaamspositie en ademhaling
1. Lichaamspositie

De meeste zwemmers en coaches gaan akkoord dat de “vlakke schoolslag” tot het
verleden behoort op competitief niveau. Enkel in de aanleerfase is het zeer nuttig om de vlakke variant te gebruiken. Deze heeft het grote voordeel van minder ingewikkeld te zijn op coordinatief vlak waardoor ze bruikbaarder is voor de leeftijdsgroep tot 7 jaar.
In alle golvende varianten (een 50-tal) wordt aan de schoolslagzwemmers het advies gegeven het hoofd en de romp boven het wateroppervlak te laten stijgen tijdens de ademhalingsfase om vervolgens het schuin voorwaarts (in)duiken van hoofd en armen te accentueren. Hierdoor wordt de voortstuwing vergroot en de remming verminderd (efficientere contrabeweging van de benen).
NOOT:
Onenigheid bestaat er evenwel over het feit of een mogelijke lichaamsgolving tijdens de schoolslag de voortstuwing al dan niet ondersteunt. Tegenstanders beweren dat lichaamsgolving bijkomende remming veroorzaakt. De voorstanders beweren uiteraard het tegendeel. Voor beide standpunten vinden we valabele argumenten in de gespecialiseerde litteratuur.
2. De ademhaling
Schoolslagzwemmers moeten volgens het reglement éénmaal per bewegingscyclus ademen, onafhankelijk van de wedstrijdafstand. De ademhaling maakt integraal deel uit van de timing coordinatie) van deze slag, waardoor ze voortstuwing eerder ondersteunt dan tegenwerkt.
Let wel dit is zeer moeilijk om aan te leren aangezien de timing het belangrijkste aandachtspunt is! Bovendien is het nuttig dat het hoofd en de romp boven het wateroppervlak worden verheven om de contrabeweging van de benen te vergemakkelijken.
3. Bespreking
- Het hoofd van de zwemmer bevindt zich onder water ( hij/zij kijkt naar de bodem) wanneer
de benen zich strekken gedurende de stuwfase van de benen.
- Van zodra de armen de buitenwaartse actie (outsweep) aanvangen, begint de zwemmer
geleidelijk voor- en opwaarts te kijken.
- De opwaartse beweging van het hoofd en de romp naar het wateroppervlak gaat verder
wanneer de binnenwaartse actie (insweep) van de armen wordt ingezet.
- Het hoofd en de romp zijn boven het wateroppervlak wanneer de binnenwaartse actie van de
armen beëindigd wordt
- De ademhaling vindt plaats tijdens het einde van de binnenwaartse actie en het begin van de
contrabeweging van de armen, wanneer de handen naar het wateroppervlak worden gebracht.
- Tijdens het verder verloop van de contrabeweging (voorwaarts strekken van de armen) daalt
het hoofd terug onder water.
Tijdens de ademhaling bewaart het hoofd zijn natuurlijke positie, met de kin lichtjes ingetrokken. Het hoofd komt boven water omdat de schouders en de romp stijgen en NIET omdat het hoofd opwaarts en achterwaarts wordt geknikt.
“Wanneer je aangezicht uit het water komt, blijf net voor je naar het wateroppervlak kijken”
|